|
Bezoek ook eens |
|
|
Hoofdstukken:
Overige Links: |
Recensie in: Gamma: Forum over onze rol in de evolutie. Een uitgave van de Stichting Teilhard de Chardin. (Jrg. 13/nr. 3, september 2006, 59-61) IV- Taede Smedes: God en de menselijke maat - Gods handelen en het natuur-wetenschappelijk wereldbeeld - Uitg. Meinema, 2006, ISBN 9021141132, 242 blzz., € 19,50 De veroordeling van Galileo door de Kerk op grond van zijn moderne wereldbeeld (p. 209) ― De vanaf Francis Bacon (1561-1626) tot 1870 in Amerika prominent aanwezige idee dat godsdienst en natuurwetenschap tot een synthese dienden te komen (p. 39) ― De Wiener Kreis van overwegend joodse filosofen zoals Rudolf Carnap (1891-1970) en het logisch empirisme dat zij voorstonden, waardoor de godsdienst voortdurend onder vuur lag omdat ervan werd uitgegaan, dat theorieën die niet geverifieerd konden worden betekenisloos waren (p.43) ― Het sinds 1960 groeiend aantal professionele initiatieven en verenigingen met als studieobject de interactie van wetenschap en theologie, zoals de ESSSAT, waarvan Smedes zelf scientific officer is (p. 45) ― De achtergronden en de ideologische dimensies van Intelligent Design (p. 167-187). Ondanks dit alles komt de schrijver van het voorliggende boek tot de intrigerende stelling, dat er in wezen geen conflict is tussen godsdienst en (natuur)wetenschap. Waar dit conflictidee vandaan komt ― dat hij zelfs "pertinente onzin" (p. 209) noemt ― behandelt hij uitvoerig in twee hoofdstukken (p. 35-63). Daarin beargumenteert hij zijn stelling door te wijzen op de gelaagdheid in taal en de verschillende betekenissen die er door godsdienst en wetenschap in hun benadering van de werkelijkheid aan woorden worden toegekend. Hij pleit voor een scherp onderscheid tussen deze gebieden en geeft zijn lezers de raad om mensen die vanuit het ene gebied uitspraken doen over het andere (d.w.z. categoriefouten maken) ofwel te negeren ofwel hard in het gezicht uit te lachen om hun onnozelheid. Genoemd worden atheïsten zoals de bioloog Richard Dawkins, de filosoof Herman Philipse, de bioloog Ronald Plasterk en de natuurkundige Vincent Icke (p. 224). Hun onnozelheid vindt volgens hem zijn oorsprong in het cultureel sciëntisme van onze tijd. Alleen kritische geesten zijn zich ervan bewust, dat heel het denken van deze tijd wordt gedomineerd (behekst) door het natuurwetenschappelijk taalgebruik en dat we in feite doen alsof we alleen via de natuurwetenschappen tot een sluitende en daarmee bevredigende verklaring van onze werkelijkheid kunnen komen. Het lijkt alsof hetgeen niet aan het natuurwetenschappelijk denken kan worden getoetst daarmee zijn zeggingskracht heeft verloren. Smedes vraagt zich echter niet af hoe theologie zich moet aanpassen aan het natuurwetenschappelijk wereldbeeld om nog geloofwaardig te zijn. Nee, hij stelt het probleem van Gods handelen op een veel fundamentelere manier aan de orde: door na te gaan "hoe gelovigen en in hun spoor theologen spreken over God en de verhouding tussen God en wereld, en hoe zich dat religieuze spreken verhoudt tot het natuurwetenschappelijk spreken over de wereld." (p. 32/3). Zelfs de gerenommeerde anglicaanse natuurkundigen Arthur Peacocke, John Polkinghorne en Sjoerd Bonting ontkomen in hun theologisch werk volgens hem helaas niet aan categoriefouten. Hun religieuze intelligentie zou in een theologische Turingtest[1] weleens onvoldoende kunnen blijken, schrijft hij. Daarbij stelt hij als criterium voor het slagen in deze test "dat de notie van de aanbiddenswaardigheid van God in het spreken over God wordt vastgehouden en categoriefouten die deze aantasten worden vermeden" (p. 234). Ook al zijn de ideeën van bijvoorbeeld Arthur Peacocke nog zo aantrekkelijk dat hij daarvoor in 2001 de Templeton price (de theologische Nobelprijs) verkreeg (p. 196), door vanuit de natuurwetenschappen theologische vraagstukken te doordenken hanteert hij volgens Smedes een verkeerd uitgangspunt. Als je er namelijk van uitgaat, dat de evolutie van het universum een autonoom proces is, waaruit leven door zelforganisatie ontstaat (p. 195), ligt het voor de hand om Gods almacht in te perken. Kenosis - procesfilosofie - dogma's Het vraagstuk van de beperking van Gods almacht, dat in de theologie bekend staat als kenosis, neemt ook in de procesfilosofie een centrale plaats in. Smedes gaat in op een artikel in Trouw (17-09-2005) van de gereformeerde hoogleraar theologie uit Kampen Frits de Lange, waarin ook deze kennelijk onder invloed van het natuurwetenschappelijk denken ― een categoriefout ― toegeeft, dat hij niet langer kan geloven in en bidden tot een Persoon in de hemel die een inter-actieve relatie met deze werkelijkheid onderhoudt. De Lange roept uit: "Weg met de God die ingrijpt!" (p. 231). Smedes schrijft dan zoals De Lange weliswaar geïntrigeerd te zijn door de procestheologie, maar haar godsconcept te zeer door filosofen geconstrueerd en niet opkomend uit de beleving van mensen (p. 232) te vinden. Zelf studeerde hij o.a. af in de systematische theologie (een ander woord voor dogmatiek) en beschouwt dogma's als "spreekregels die gelovigen impliciet hanteren wanneer ze hun geloofsbeleving onder woorden brengen; ze worden niet opgelegd, maar ontdekt."(p. 25). Het is verrassend om een studentenpastor als Jan de Jongh in zijn boekje Godspraak is Beeldspraak eveneens vanuit de taal als geloofsexpressie juist te horen pleiten vanuit de gelovige ervaring voor een herijking van dogma's (deze GAMMA p. 58). Dit lijkt me heel logisch. Immers, de gelovige staat midden in de wereld en vormt zijn wereldbeeld ook op grond van de verworvenheden van de wetenschap. Hans Jonas en Teilhard de Chardin De evolutieleer speelt in het huidige wereldbeeld een grote rol. Smedes heeft echter kritiek op die theologen, die "driftig aan het werk gaan om Gods handelen uit de sfeer van onredelijkheid (of onwetenschappelijkheid) te halen." (p. 59). Het is ― zo schrijft hij ― alsof je het over je auto hebt die niet opstart en bij het duwen tegen een paaltje aan botst. "Jij bent onderdeel van dezelfde werkelijkheid als de auto en het paaltje. Analoog hieraan impliceert duw- en trekwerk van God, dat God onderdeel van deze wereld is. We spreken dan over Gods handelen alsof God een object is, dat invloed uitoefent, en daarmee wordt God een oorzaak onder oorzaken. Dit is ook de implicatie van het wetenschappelijk spreken over God als een factor in het evolutieproces. God wordt een factor tussen allerlei andere fysische en biologische factoren" (p.59). Dat de evolutieleer echter ook - zoals de diepgelovige Teilhard de Chardin met Het goddelijk Milieu aantoont - kan leiden tot verdieping van de aanbiddenswaardigheid van God, die immanent via zijn schepping werkzaam is, brengt Smedes helaas niet ter sprake. Wel geeft hij een ontroerend resumé van het essay Der Gottesbegriff nach Auschwitz - eine jüdische Stimme, waarmee de Duitse filosoof Hans Jonas (1903-1993), die zelf voorgaf ongelovig te zijn en wiens moeder in Auschwitz de dood vond, "vertelt hoe in het begin de goddelijke grond van het Zijn aus unerkennbarer Wahl besloot zich aan het toeval en de onvoorspelbaarheid van het worden over te geven. Maar niet slechts gedeeltelijk of tijdelijk, maar geheel en absoluut. Niets van zichzelf hield de godheid achter. Het was een 'onvoorwaardelijke immanentie', een geheel en al opgaan in het worden van de wereld. God ontdeed zichzelf volledig van zijn goddelijkheid um sie zurückzuempfangen von der Odyssee der Zeit." (p. 205) conclusie Smedes verbindt hieraan zijn conclusie: "Daarmee doelt Jonas niet op pantheïsme, opgevat als een vergoddelijking van de wereld, maar juist op de totale ontgoddelijking van God". We zouden de beleving van Jonas echter ook panentheïstisch kunnen duiden, zoals Teilhard de Chardin en de procesfilosofie dat doen. Problemen als die van 'het kwaad', de persoonlijke verantwoordelijkheid en vrijheid van de mens krijgen in die benadering de mogelijkheid van een antwoord, dat mensen zal kunnen inspireren. In die benadering echter is het van belang dat men mensen om welk stand- of uitgangspunt dan ook niet negeert of uitlacht, maar God in hen tot spreken laat komen. In die zin wordt God dan voor ons een persoon, d.w.z. klinkt tot de wereld door (per-sonare = door … heen klinken). We hebben ons dan zeker niet laten verleiden tot de categoriefout van een antropomorfisme en God ontologisch tot beeld van de mens gemaakt. Nee, we ervaren dan door onze eigen inspanning de relatie met God in de ander. Negeren of uitlachen van anderen brengt pas echt het conflict, waarvan Smedes m.i. ten onrechte veronderstelt dat het er thans niet is. Als het er is, dan is het er ― daarin geef ik hem gelijk ― echter niet in wezen, maar door ons mensen zelf. Pas in het bijeenbrengen en richten van onze inzichten en gevoelens ― in de convergentie van wetenschap en religie ― ligt de oplossing van conflicten en daarmee onze toekomst. Een boek om diepgaand over te discussiëren. Reacties van lezers zullen zo mogelijk graag in ons blad worden geplaatst. Henk Hogeboom van Buggenum, Voorzitter St. Teilhard de Chardin [1] “De Turing-test is bedacht door één van de grondleggers van het moderne onderzoek naar kunstmatige intelligentie, Alan M. Turing (1912-1954). In deze test neemt een proefpersoon plaats achter een computer en stelt zij vragen aan de computer. Op het beeldscherm verschijnen de antwoorden. […] De test is geslaagd als de proefpersoon niet kan zeggen of de antwoorden van een mens of van een computer afkomstig zijn.” In dat geval kan de computer intelligent genoemd worden. Immers, zij past de woorden toe in hun context. (verkorte weergave van blz. 233 – red.) |
|
|