Bezoek ook eens

WWW.TASMEDES.NL
 
gewijd aan de interactie van geloof en natuurwetenschap


God en de Menselijke Maat:


Gods Handelen en het Natuurwetenschappelijk Wereldbeeld

door Taede A. Smedes

 

 

Hoofdstukken:

Overige Links:

 

Hoofdstuk 5

Spreken over de wereld als 'schepping'


Stond in het vorige hoofdstuk de godsleer centraal, in hoofdstuk 5 (80-93) ga ik in de op 'scheppingsleer': het theologisch spreken en denken over de relatie tussen God en wereld. In dit hoofdstuk ga ik in op de vraag waarom gelovigen over 'schepping' spreken, wat het gebruik van het woordje 'schepping' impliceert.

Ook maak ik een onderscheid tussen schepping 'in den beginne' (creatio primordialis; Gods scheppend handelen in het tot aanzijn brengen van de wereld) en 'voortgaande' schepping (creatio continua; Gods voortdurende handelen in de wereld). In het spreken over Gods creatio primordialis wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen een 'schepping uit chaos', waarin God de wereld uit een oerchaos heeft gevormd, en 'schepping uit niets' (creatio ex nihilo). Ik leg uit dat beide begrippen problematische aspecten hebben, maar geef ook aan waarom ik op theologische gronden de voorkeur geef aan creatio ex nihilo.


Detailopmerkingen

Selectie van boeken over de scheppingsleer:

pagina 81: Over Dippel. Paul van Dijk heeft enkele jaren terug een mooi proefschrift over Dippel geschreven: Op de grens van twee werelden: Een onderzoek naar het ethische denken van de natuurwetenschapper C.J. Dippel. 's-Gravenhage: Boekencentrum 1985. Van Dijk was ook erg actief in het werkgezelschap ATOMIUM (waar ik ook lid van ben). In dat werkgezelschap, wat twee keer per jaar twee dagen bij elkaar komt, worden zaken besproken op het grensvlak van geloof en wetenschap. Het proefschrift van Van Dijk maakt mooi duidelijk dat voor Dippel (en voor ATOMIUM) ook de ethiek een sterke component was van het gesprek tussen theologen en natuurwetenschappers. Dat is een typisch Europese insteek; de Angelsaksische (Amerikaanse & Engelse) insteek is vaak veel theoretischer en laat ethische aspecten veelal links liggen.

pagina 83: Stephen Hawking. Zie hoofdstuk 6 voor een lijstje van publicaties van en over Hawking.

pagina 84: De irrationaliteit van emoties. Emoties zijn eeuwenlang beschouwd als irrationele elementen in de mens. Zelfs bij een geleerde als Freud kun je dat nog ontdekken. Vandaag de dag zijn er echter meer en meer filosofen die deze mening bestrijden. De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum is hier een goed voorbeeld van, getuige haar Upheavals of Thought: The Intelligence of Emotions. Cambridge: Cambridge University Press 2001.

pagina 85: De schepping is nog niet af. Dit werd al door een systematisch theoloog als Jürgen Moltmann beargumenteerd, bijvoorbeeld in zijn Gott in der Schöpfung: Ökologische Schöpfungslehre (Gütersloh: Chr. Kaiser/Gütersloher Verlagshaus 1985), wat in het Engels vertaald werd als God in Creation: A New Theology of Creation and the Spirit of God (Minneapolis: Fortress Press 1993).

Recentelijk is door de Amerikaanse lutheraanse theoloog Philip Hefner betoogd dat de mens zelf actief meewerkt aan Gods scheppingsproces. De mens is daarmee een 'geschapen mede-schepper' (created co-creator). Voor Hefner heeft het gebruik van technologie daarbij een belangrijke rol. Boeken van Philip Hefner zijn The Human Factor: Evolution, Culture, and Religion (Minneapolis: Fortress Press 1993) en Technology and Human Becoming (Minneapolis: Fortress Press 2003).

Ook resoneert een voortgaande schepping met de idee dat onze wereld fundamenteel dynamisch is en niet statisch: er is wording en er ontstaan werkelijk nieuwe dingen. Het "Er is niets nieuws onder de zon" van Prediker gaat niet langer op. Deze drang naar nieuwheid, die de wereld lijkt te vertonen, wordt in de natuurwetenschapper vaak onder de noemer van zelforganisatie (complexiteit) of emergentie beschreven.

pagina 89: Sjoerd Bonting en 'niets': nihil ontologicum en nihil negativum. Bonting schrijft: "Het begripsmatige probleem bestaat hierin dat niemand zich een absoluut niets kan voorstellen, hetgeen waarschijnlijk verklaart waarom zovele filosofen en theologen uitgaan van een bestaand niets (nihil ontologicum), hetgeen ons zoals gezegd terugbrengt tot een oerchaos" (Bonting, Mens, Chaos, Verzoening: Natuurwetenschappelijk en theologisch bezien. Kampen: Kok 1998, 14). In zijn recent verschenen Engelse boek (Creation and Double Chaos: Science and Theology in Discussion. Minneapolis: Fortress Press 2005) legt hij dit meer in detail uit:

None of us can picture absolute nothingness. This has led several theologians to assume an 'existing' nothing (nihil ontologicum) instead of a true nothing (nihil negativum). Augustine equates the 'nothing' from which God creates with 'formless matter, entirely without feature.' Thomas [Aquinas] states that everything depends on God, so saying that the world was created by God implies that it was made 'out of nothing.' The true meaning is 'not out of anything'; it is wrong to think that creation changes nihil into a creature. Both Karl Barth and Emil Brunner hold to an existing nothing.

However, these various forms of an existing nothing are not really different from an initial chaos. The same is true if one says, with John Polkinghorne, that creatio ex nihilo is merely a 'metaphysical' statement. Therefore, I shall adhere to a strict interpretation of nihil as the complete absence of matter, energy, physical laws, information, structure, and order. (Pag. 70.)

Het onderscheid tussen een nihil ontologicum en nihil negativum kan ook zo (in enigszins metafysische termen) uitgelegd worden: een nihil ontologicum is een staat van zijn die radicaal tegengesteld is aan de ons bekende, ordelijke staat van zijn. Vandaar dat Bonting kan zeggen dat zijn oerchaos een nihil ontologicum is: het is tegengesteld aan alles wat we kennen. Het heeft geen regelmaat, wetmatigheid, ordelijkheid in welke zin dan ook. In tegenstelling hiermee is een nihil negativum niet een staat van zijn, maar juist de afwezigheid van ieder zijn! Het is ook de ontkenning van een chaotische, wanordelijke staat van zijn. Dat is inderdaad moeilijk voorstelbaar, maar moet het daarom worden afgewezen?

De ingenieur John Rijnsdorp schrijft: "De moderne natuurkunde zit vol met onbegrijpelijke zaken, onder andere een vacuüm (een natuurwetenschappelijke versie van 'niets'), waaruit af en toe deeltjes op duiken om weer te verdwijnen binnen het kader van de onzekerheidsrelaties van Heisenberg. Een absoluut 'niets' kan er, wat mij betreft, nog wel bij" (J.E. Rijnsdorp, Waar wetenschap geloven raakt. Budel: Damon 2005, 82).

Bonting heeft overigens gelijk als hij Barths behandeling van de creatio ex nihilo als verwant ziet aan een schepping uit een oerchaos. Maar de reden waarom Barth een nihil ontologicum voorstond had niets te maken met Barths gebrek aan voorstellingsvermogen. Zoals Mark William Worthing (zie God, Creation, and Contemporary Physics. Minneapolis: Fortress Press 1996, 74v.) beschrijft, was Barths scheppingsleer een compromis tussen het conflict dat Barth voelde tussen de bijbelse scheppingsvoorstelling (die geen creatio ex nihilo was) en de latere ontwikkeling van de creatio ex nihilo in de christelijke theologie. Barth wilde die spanning op een of andere wijze oplossen en belandde daarmee bij een schepping uit een nihil ontologicum. Ik durf best te stellen dat Barth hiermee op een fout spoor zat wat eigenlijk niet noodzakelijk was. Want, zoals de theoloog David A.S. Fergusson (in zijn The Cosmos and the Creator: An Introduction to the Theology of Creation. London: SPCK 1998) schrijft:

The doctrine of creation out of nothing enabled Christian theologians to distinguish the necessary God from the contingent creation. There could be no confusion of hte different ontological statuses of these. In this respect, the doctrine can be construed as biblical even if not explicitly taught in the Scripture. (Pag. 31.)

pagina 89-90: Schepping uit niets. Waarom theologisch gesproken creatio ex nihilo de voorkeur verdient boven een schepping uit chaos, is prima beschreven door Mark William Worthing in zijn boek God, Creation, and Contemporary Physics (Minneapolis: Fortress Press 1996):

For Christian theology the doctrine of a creation out of nothing takes on the form of an inescapable conclusion. The possibility of a matter 'existing with God from all eternity' is ruled out as constituting a radical spirit-matter dualism that Jewish and Christian theology has always rejected on biblical as well as philosophical grounds. As Wolfhart Pannenberg explains, 'the uniqueness of the biblical conception of God's action in creation excludes every dualistic view of the origin of the world. The world is not the result of a cooperative effort between God and some other principle, as for example in Plato's Timaeus where it is portrayed as the formation of a shapeless material through a demiurge.'

Not only is the creatio ex nihilo essential if a dualistic ontology is to be avoided, it is also a fundamental presupposition of a doctrine of divine transcendence and of the fundamental contingency (that is, absolute dependence) of the universe on God. Only a God who transcends the universe can be said to have created the universe out of nothing so that it is dependent in every moment on God for its existence. (Pag. 77.)

 

 

"Het probleem tussen geloof en natuurwetenschap zit niet aan de kant van de natuurwetenschappen, maar het zit in de manier waarop over God gesproken en gedacht wordt. Daarom ben ik ook van mening dat veel theologen die proberen toch Gods handelen met natuurwetenschappelijke theorieën te verzoenen, onzinnig bezig zijn. Ze houden zich bezig met een probleem dat helemaal niet bestaat. ... ik denk dat veel benaderingen in religion & science theologisch gezien bullshit zijn." (p. 33)

ISBN 9021141132,  € 19,50