Bezoek ook eens

WWW.TASMEDES.NL
 
gewijd aan de interactie van geloof en natuurwetenschap


God en de Menselijke Maat:


Gods Handelen en het Natuurwetenschappelijk Wereldbeeld

door Taede A. Smedes

 

 

Hoofdstukken:

Overige Links:

 

Hoofdstuk 4

Spreken over God: wat bedoelen we dan?


In hoofdstuk 4 (64-79) ga ik in op de vraag wat gelovigen bedoelen als ze over 'God' spreken. Want als we over Gods handelen willen spreken moeten we ook helder voor ogen hebben wat met God bedoeld wordt. In de theologie hoort dit onderwerp thuis in de zogenaamde 'godsleer'. In dit hoofdstuk bespreek ik dus een aantal elementen van de christelijke godsleer.

Wanneer gelovigen en theologen over 'God' spreken, dan gebruiken ze dat woord (1) als een soortnaam, of (2) als eigennaam waarmee God persoonlijk wordt aangesproken of aangeroepen, of (3) als een eertoekennend predikaat waarmee de aanbiddenswaardigheid wordt aangegeven van het wezen dat met 'God' wordt aangeduid. In al dit spreken over God staat de uniciteit van God centraal.

De uniciteit van God komt ook tot uiting in het spreken over Gods transcendentie, een moeilijk begrip wat veel misverstanden kan oproepen. Door het woordje 'transcendentie' te gebruiken, drukken gelovigen uit dat God altijd 'anders' is dan de wereld en ons voorstellingsvermogen, en ook altijd 'meer' is. Aangezien God ook onze taal overstijgt (taal is immers een onderdeel van de geschapen wereld), is onze taal fundamenteel beperkt als we over God willen spreken. Eigenlijk kunnen we niet eens over God spreken! - hoewel we ook niet over God kunnen zwijgen. Juist vanwege Gods transcendentie moeten we ons taalgebruik altijd relativeren om niet in een soort van linguïstische of conceptuele afgoderij te vervallen.

Maar als we onze taal moeten relativeren, dan dus ook ons spreken over Gods 'transcendentie'. Vandaar dat we in de christelijke theologie ook over Gods immanentie moeten spreken: Gods presentie in de wereld, die ook tot uitdrukking wordt gebracht in het spreken over Gods alomtegenwoordigheid.

Ik geef verder aan hoe we met het spreken over Gods transcendentie en immanentie flink de mist in kunnen gaan, wanneer we de relativiteit van onze taal niet goed in het oog houden. De relativiteit van taal komt ook naar voren in het gebruik van metaforen. Mijn visie op metaforisch taalgebruik is dat door middel van een metafoor de wereld op een bepaalde manier belicht wordt. Door middel van metaforen wordt een bepaalde werkelijkheid opgeroepen. Talige uitingen als metaforen kunnen herkennen, vergt echter oefening en moet geleerd worden. Dat betekent ook dat metaforen ook risico's met zich meebrengen, met name omdat ze gemakkelijk worden misverstaan. Die risico's zijn ook inherent aan religieus taalgebruik. Kortom: spreken over God is een hachelijke aangelegenheid...


Detailopmerkingen

Selectie van boeken over de 'godsleer' (inclusief discussies over Gods eigenschappen):

pagina 67vv.: Gods Transcendentie. Zoals ik in het boek aangeef, kan het denken over Gods transcendentie gemakkelijk tot misverstanden en categoriefouten leiden. Over Gods transcendentie was relatief weinig materiaal voorhanden - tot voor kort. Het proefschrift van Arjan Markus heeft de leemte gevuld door een grondige analyse te geven van de verschillende manieren om over Gods transcendentie te spreken. Zie: A. Markus, Beyond Finitude: God's Transcendence and the Meaning of Life. Frankfurt a.M.: Peter Lang 2004.

pagina 70: Taalfilosofie. Een paar goede boeken over en inleidingen tot de taalfilosofie:

pagina 71: Hyperruimte. Praten over de hyperruimte lijkt vaak te verzanden in science fiction. Toch spreken wetenschappers nu serieus over hyperruimte, parallelle universa, etc. Zie bijvoorbeeld:

pagina 72: Bergson. Over Bergson en zijn 'vitalisme' is op Internet veel te vinden. Bijvoorbeeld op de Engelse Wikipedia-site en in de Stanford Encyclopedia of Philosophy. Over vitalisme is HIER iets te vinden. Even googelen op 'vitalism' levert een schat aan websites op.

Overigens is er momenteel een Nederlandse vertaling in de maak van Bergsons beroemdste werk L'Evolution Créatrice uit 1907. Dit boek is ook in een Engelse vertaling beschikbaar.

pagina 72: Spinoza en pantheïsme. Spinoza wordt als de meest beroemde pantheïst beschouwd. Toch hebben filosofen telkens weer vraagtekens bij die kwalificatie gesteld. Een prachtige filosofische studie over het godsbeeld van Spinoza is geschreven door Richard Mason, The God of Spinoza: A Philosophical Study. Cambridge: Cambridge University Press 1997. In Nederland was het de godsdienstfilosoof Hubbeling die het pantheïsme van Spinoza ter discussie stelde. Hubbeling meende dat Spinoz beter een 'pan-en-theïst' genoemd kon worden.

pagina 72, voetnoot 4: Neurowetenschappen en religie. De link tussen godsdienst en neurowetenschappen is betrekkelijk nieuw. Een paar literatuurverwijzingen:

pagina 73, voetnoot 5: Panentheïsme. Zie voor boeken over procestheologie en panentheïsme de Detailopmerkingen van de Epiloog.

pagina 74: Taal en metaforen. (Godsdienst)filosofische studies over metafoorgebruik zijn er legio - daarom hier slechts een heel kleine selectie:

pagina 76: Spreken over God in persoonlijke termen. Vincent Brümmer heeft een mooi boek geschreven over de vraag waarom we überhaupt over God in persoonlijke termen zouden moeten spreken: Speaking of a Personal God: An Essay in Philosophical Theology. Cambridge: Cambridge University Press 1992. De Engelse editie is een herziene en uitgebreide versie van Brümmers Nederlandse boek Over een persoonlijke God gesproken: Studies in de wijsgerige theologie. Kampen: Kok Agora 1988.

Toch ligt het spreken over God in persoonlijke termen hevig onder vuur, met name door het bezwaar dat we menselijke eigenschappen op God projecteren (het zgn. "projectiebezwaar"). Frits de Lange heeft onlangs nog zijn bezwaren hierover geuit (ik ga op De Langes bezwaren in in de Epiloog). Het projectiebezwaar werd door Feuerbach (in zijn beroemde Das Wesen des Christentums uit 1841), en vervolgens door Marx en Freud geuit en gebruikt om het illusoire karakter van religie aan te tonen. In Nederland heeft de theoloog en godsdienstpsycholoog Fokke Sierksma hierover geschreven: De Religieuze Projectie (Delft: W. Gaade 1956). Een krachtig weerwoord uit godsdienstpsychologische hoek kwam van Han Fortmann in zijn nog altijd lezenswaardige Als Ziende de Onzienlijke: Een cultuurpsychologische studie over de religieuze waarneming en de zogenaamde religieuze projectie (Hilversum/Antwerpen: Paul Brand 1964-1968, 3 delen in 4 deelbanden).

pagina 76: Metafoorgebruik & relativisme. Ik geef dus aan dat er ten aanzien van metafoorgebruik in religieuze contexten geen sprake is van een algeheel anything-goes relativisme. Er is, theologisch gesproken, één centraal criterium voor welke metaforen toepasselijk worden gevonden en welke niet: Gods aanbiddenswaardigheid. Iedere metafoor die Gods aanbiddenswaardigheid aantast, is ongepast. 

pagina 79: De uitspraak van Kuitert. Toen ik bezig was het hoofdstuk te schrijven, bleek het erg moeilijk om de bron te vinden van Kuiterts uitspraak dat 'alles wat van boven gezegd wordt, van beneden komt'. Vandaar dat ik in de voetnoot heb verwezen naar een artikel wat over die uitspraak ging. Ik dacht zelfs even dat het wellicht een gevleugelde uitspraak uit een krantenartikel was. Toch, na wat speurwerk is gebleken dat deze uitspraak wel degelijk uit Kuiterts boeken afkomstig is.

In zijn boek Zonder geloof vaart niemand wel: Een plaatsbepaling van christendom en kerk (Baarn: Ten Have 1974), schrijft Kuitert over de ideeën van Karl Barth, die meende dat er een verschil was tussen godsdiensten in het algemeen en het christendom in het bijzonder. Alleen het christelijk geloof was openbaring, volgens Barth. Kuitert stoort zich hieraan:

Zij kan op geen enkele manier aar gemaakt worden, integendeel, alle gegevens wijzen in de omgekeerde richting. Ook het christelijk geloof - laat ik liever blijven zeggen: het christendom - vertoont alle kenmerken van godsdienst. Het beroep van de christenen op openbaring verandert daar niets aan.

Wij zijn gewend dat een dergelijk beroep alle vragen oplost. De godsdiensten zijn niet en het christendom is wel op openbaring gegrond: vandaar dat de godsdiensten niet en het christendom wel op waarheid berust. Maar deze redenering, hoe gangbaar ook, berust op een kortsluiting. Wanneer christenen zich voor hun waarheid beroepen op Gods openbaring in Jezus van Nazareth, kunnen we er onmogelijk aan voorbijzien dat het de christenen zelf zijn die dit zeggen. De correcte formulering is niet: het christelijk geloof berust op openbaring - hoezeer de christenen daarvan ook overtuigd zullen zijn - maar: christenen zeggen dat hun geloof op openbaring berust. Dat is niet hetzelfde. Het klinkt relatiever, en daar houden we gewoonlijk niet van, zeker niet in godsdienstige zaken. Toch doet ieder mens vroeg of laat de ontdekking - soms de onthutsende ontdekking - dat het inderdaad zo is, en dat we nooit verder kunnen komen dan die tweede formulering. ... En menselijke uitspraken worden niet méér waar als iemand zegt dat ze op openbaring berusten. Alle spreken over boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van boven komt. ...

Wie zich op openbaring beroept - dat geldt ook voor kerk en christendom - moet weten dat het altijd mensen zijn die iets voor openbaring uitgeven, en die dat terecht of ten onrechte kunnen doen. ...

Wat theologischer gezegd: het woordje openbaring is een woordje uit de taalschat van de godsdiensten en niet een woordje dat boven de godsdiensten uitreikt. Dat betekent allerminst dat het spreken over en het geloven in Gods openbaring onzin zou zijn, maar het betekent wel dat wij Godsopenbaring alleen in de vorm van menselijke gedachten en woorden over Gods openbaring kennen, dat wil zeggen: verpakt in godsdienst en godsdiensten en dat wij dus kritisch mogen en moeten zijn wanneer iets zich als openbaring aandient.

Om dit alles zie ik de weg van Karl Barth meer als een verlegenheidsoplossing die hoogstens tijdelijk soelaas kon bieden tegen de opkomende storm van kritiek op godsdienst, kerk en geloof. (Pag. 28-29; de vetgedrukte zin staat op pagina 28.)

Kuitert heeft hier uiteraard volstrekt gelijk, hoewel zijn relativerende uitspraken hem niet in dank zijn afgenomen. Hij is bij zijn adagium gebleven. Zo schrijft Kuitert in zijn controversiële Het algemeen betwijfeld christelijk geloof: Een herziening (Baarn: Ten Have 1992):

Godsdienstige geloofstradities komen namelijk niet uit de lucht of uit de hemel vallen; ze zijn mensenwerk. Alles wat wij over boven zeggen, komt van beneden.

Dat is een uiterst intrigerend gegeven. Het houdt in dat we ook zelf in het spel zijn, als het om godsdienstig geloof gaat. Wij construeren ons een voorstelling van God ... maar doen dat kennelijk zo dat we tegelijk een voorstelling van onszelf en onze wereld daarin meebrengen. Met alle vragen die daaraan vastzitten: scheppen we ons nu een voorstelling van God naar het beeld dat we van onszelf en onze wereld hebben of bepaalt het beeld dat we van God ontwerpen onze voorstelling van wat mens en wereld betekenen?

Om een (voorlopig) antwoord te geven: het eerste is het geval. Wij kunnen niet anders. Maar het heeft - merkwaardig genoeg, heel het fenomeen godsdienst zit erin - als effect het tweede. Dat kan alleen als we 'van beneden' niet helemaal mis tasten en hoe dat dan weer kan, daarover spreek ik in het hoofdstuk dat over God handelt. (Pag. 23.)

Let op dat Kuitert in het laatste deel van het citaat de mogelijkheid open laat dat we op een bepaalde manier het spreken over God kunnen toetsen om te weten te komen of we er niet helemaal naast zitten. Er blijft dus nog een bepaald, haast empiristisch trekje bij Kuitert over. Dat empiristische komt ook naar voren in zijn boek Filosofie van de Theologie (Baarn: Ten Have 1996), waarin hij op pagina 77vv. ingaat op de toetsbaarheid van religieuze uitspraken. Uiteindelijk heeft Kuitert dat idee van empirische toetsbaarheid (gelukkig!) opgegeven, met name in zijn laatste drie boeken Over religie: Aan de liefhebbers onder haar beoefenaars (Baarn: Ten Have 2000), Voor een tijd een plaats van God: Een karakteristiek van de mens (Baarn: Ten Have 2002) en Hetzelfde anders zien: Het christelijk geloof als verbeelding (Kampen: Ten Have 2005). Met name in dat laatste boek ontpopt Kuitert zich als een student van Wittgenstein II die het onderscheid tussen taalgebruik en referentie helemaal los wil laten.

Ten slotte heb ik de uitspraak ook nog gevonden in het boekenweek-essay Aan God doen: Een vingerwijzing (Baarn: Ten Have 1997):

Pascal heeft zich gebogen over wat hij de 'grandeur et misère' van de mens noemde. Groots als geen ander wezen op aarde, en tegelijk gedompeld in ellende. Ik knoop bij zijn uitspraak aan, ten eigen behoeve, maar verwijder mij niet van hem.

'Alles wat wij over boven zeggen, komt van beneden, ook als we zeggen dat het van boven komt', is ons lot. Of er een boven is en zo ja, of we daarvan wat weten, en waarin dat weten dan bestaat, niemand kan daar een antwoord op geven dan alleen wijzelf, wij mensen. Tot de ontwerpen van god, zoals de religies die te zien geven, heeft niemand ons gemachtigd; wij ondernemen het op eigen gezag. Ik raak daarmee aan onze grandeur als mensen. Wij zijn het in wie - na miljoenen jaren evolutie - de natuur is begonnen te spreken, en al sprekend is bewgonnen te zoeken naar waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan.

De grootheid van de mens is tegelijk zijn lot: we kunnen niet anders. Maar er is ook niemand die het van ons kan overnemen: we moeten wel. Dat omgeeft ons met veel onzekerheid, misère dus, een soort misère. (Pag. 40.)

Zie over Kuitert verder:

  • M. Brinkman & H. Vijver (red.), Harry Kuitert: zijn God. Schrijvers, theologen en filosofen over de God van Kuitert. Kampen: Ten Have 2004.

  • E. Meijering, Wat verbeelden we ons wel?! Overwegingen bij Harry Kuitert. Zoetermeer: Meinema 2006. (Meijering gaat met name in op Kuiterts 'reductie' van geloof tot verbeelding. Meijering wil blijkbaar terug naar een vorm van realistische theologie. In zijn interpretatie van Kuitert gaat Meijering m.i. volledig voorbijgaand aan wat Kuitert bedoelde.)

 

 

 

"Het probleem tussen geloof en natuurwetenschap zit niet aan de kant van de natuurwetenschappen, maar het zit in de manier waarop over God gesproken en gedacht wordt. Daarom ben ik ook van mening dat veel theologen die proberen toch Gods handelen met natuurwetenschappelijke theorieën te verzoenen, onzinnig bezig zijn. Ze houden zich bezig met een probleem dat helemaal niet bestaat. ... ik denk dat veel benaderingen in religion & science theologisch gezien bullshit zijn." (p. 33)

ISBN 9021141132,  € 19,50